De yogahoudingen

De Bekkenlift; een eenvoudige inspanningsoefening

De Bekkenlift is een belangrijke inspanningsoefening voor de eenvoudige yogales of passiefoefeningensessie. De omschrijving vanuit rugligging is simpel: ‘We zetten de knieën op en vervolgens tillen we herhaald de billen van de vloer’.

Op de foto hieronder staat deze Bekkenlift in het hoogste punt. In de praktijk is het niet altijd verstandig de houding zo hoog te maken. Ouderen komen over het algemeen niet hoger, dan de rechte lijn tussen knieën en schouders.

Een oude Louis van Gorkom maakt de Bekkenlift.

Na deze dynamische fase volgt meestal een statische fase, waarin we de houding enige tijd volhouden. Het is belangrijk dat we in de houding rustig doorademen. De plaatsing van de voeten mag daarbij halverwege eventueel overgaan naar de Teensteun. Hierdoor kunnen we de rug nog wat meer ronden.

De inpassing in de les

Als we kijken naar de inpassing van de Bekkenlift in de yogales, danwel (passiefoefeningen)sessie dan moeten we beseffen, dat er in de praktijk van haptotantra meestal geen onderscheid valt te maken tussen beide vormen. Dit kenmerkt zich door het ontbreken van alle passieve- en sensuele elementen; in dat geval speken we van een yogales. We komen deze yogales tegen in zaallessen en lessen, waar het aan lesassistenten ontbreekt.

Voor de sessie kunnen we de volgende korte indeling geven: inleiding, inspanningsfase, ontspanningsfase en activering. De Bekkenlift geven we vaak een plek in de inspanningsfase. Verder kunnen varianten een plek in de activering krijgen.

De inspanningsfase (roman)

(Roman:) Maria is kort geleden overgestapt van een toplessles naar een passiefoefeningengroep. Helemaal naakt was even wennen, maar dat is nu al achter de rug; het is wel zo eerlijk. Ze beschouwd deze kleine huiskamergroep als een soort badkamer. Aan de straatzijde is het gordijn gesloten. Daar is nog een groepje met de zelfde sessie bezig. Het andere raam kijkt uit over een achtertuin. Buiten dwarrelen gestaag dikke sneeuwvlokken naar beneden. Ze moet straks de kinderen van de peuterspeelplaats en school halen (Meer over Maria en Gerda vinden we bij afleiden en het passiefmaatje).

Maria beweegt de ontspannen arm van het passiefmaatje Jan in de lucht. Ze doet daarin het actiefmaatje Gerda een beetje na. De hangende arm voelt zwaar aan, want Jan zit al jaren in deze groep en kan dus goed loslaten, bovendien heeft hij zware armspieren. In haar ooghoek ziet ze het gebaar "neerleggen". Dan legt lesgever Louis de benen van Jan terug. Dus legt ze de arm neer; Gerda volgt; Jan ligt nu in Vloerhouding. Ze ziet zijn buik vertaagt reageren; de ademgolf...; stilte...!

Maria staat op en pakt de struisvogelveer van Gerda bij de haakse steel; die gebarentaal wordt nog hard werken. De docent komt even later met de stembegeleiding: ‘Dan, bijt je op het puntje van je tong. Je knijpt in je vuisten en rekt jezelf eens flink uit. Vervolgens maken we de Bekkenlift.’

Maria draait alvast de grote veer in de juiste stand. Ondertussen let ze op de tillende beweging van Jan. Bij de tweede keer opkomen van zijn bekken, plaatst ze met zachte stembegeleiding: ‘En voel Jan voel,’ de veer op zijn borst en streelt over zijn perkamenten huid naar zijn knieën (repeterende effleurage). Het is nog een toer om met het tempo van Jan mee te strelen en daarbij het huidcontact te behouden. De tweede keer is ze iets te laat, zodat ze dit contact verliest. ‘Stembegeleiding is nu niet meer nodig,’ komt op in een flard van gedachte. De derde keer pakt ze het juiste tempo.

Maria gaat zo door met strelen. Even is haar gedachte bij het verrukkelijke gevoel, dat zo'n streling bij haar in de vorige sessie los maakte. ‘De oefening krijgt zo een dansende lichtheid,’ popt op in haar brein.

De mannenstem van de lesgever zet met: ‘En til wat intenser, til nog steeds met de adem mee, en til...’ de passiefmaatjes aan tot meer activiteit. Even later gaat de lesgever verder met: ‘Nu gaan we over naar de statische fase. Je blijft nu hoog en houdt vol’.

Vanuit haar eigen ervaring verhoogt Maria het tempo waarin ze steelt. De gebaren snapt ze nog niet helemaal. Niemand grijpt in, dus het zal wel goed zijn. Gerda wel; vanaf de andere kant begint Gerda de rug van Jan met een duster snel heen en weer te strelen (gecombineerde effleurage).

Maria herkent het gebaar voor "los". Ze tilt de veer omhoog en doet een stap achteruit. Ook ziet ze Gerda haar duster weghalen. Gelijk met de stembegeleiding: ‘En nu languit!’ van de lesgever, ziet ze Jan in vloerhouding glijden; even stokt zijn adem; ademgolf...

Maria ziet dat de lesgever zijn wijsvinger voor zijn lippen houdt. Het is voor Jan nu een moment van ervaren. Ze haalt haar eigen ervaringen op. In realming kan je zo heerlijk wegdromen.

Maria ziet dat de lesgever haar aanwijst, gevolgd door het gebaar voor "stembegeleiding". Ze reageert met heldere vrouwenstem: ‘Buiten sneeuwt het nu heftig! Binnen echter is het warm en veilig. Je laat alles gaan en je kijkt nog steeds naar wat je ziet dichte ogen.” (Einde roman.)

De volgorde in de inspanningsfase

De volgorde binnen de inspanningsfase is: actief, passief, actief enz.; bij tijdgebrek kunnen we een aantal actieve oefeningen (houdingen) samenvoegen. In dit laatste geval rijgen we deze oefeningen in een flow aan elkaar. De volgende stap op de voorafgaande romanflard kan zijn de Banaanvorm of de Motvorm.

Verder kunnen we als voorbeeld de Bekkenlift eventueel aanvullen met de Kaarshouding, Ploeghouding, Schouderbalans en Wighouding. We voegen zo het aspect strekken toe. Dan gaan we met de Haai over naar de ontspanningsfase, waarin naast passieve vormen de Schroef een belangrijke rol speelt.