Vrijheidskwartier - roman...

27. Stevig onder de plak?

Arnold voelt de donderbui hangen. Een paar woorden woorden zijn genoeg om haar stemming perfect in te schatten. In 40 jaar huwelijk leer je dat wel! Dus legt hij een nederige toon in zijn reactie: ‘Ik kon die dubbelgangster van dat lijk, ofwel Dunya Lazrak nog even spreken.’

‘Je bent laat! Arnold,’ zegt Marie: “Sinds je onderzoek schijnbaar iets met ‘Het Vrijheidskwartier’ heeft te maken, is meneer helemaal niet meer thuis. Het zijn gewoon jouw geile ogen, die verslaafd zijn aan die naakte deernen!”

‘Ach dat went zo snel, ik kijk er al niet meer naar,’ zegt hij nonchalant. ‘En bovendien die meid kon mijn kleindochter zijn; je denk toch niet Marie!’

‘Ik denk wel Arnold! Als je niet oppast kun je voortaan op de bank slapen!’

‘Kom, kom Marietje,’ zo tracht Arnold de ontluikende ruzie wat te sussen.

Maar zijn eega komt met nieuwe argumenten: ‘Hoeveel huwelijken sneuvelen er niet door een jonge blom!’

‘Kom wees eens redelijk; kunnen we daar niet rustig over praten?’

Zij verdwijnt naar de keuken. Hij weet dat hernieuwde pogingen tot discussie alleen maar olie op het vuur is, dus denkt hij aan de krant. Op de achtergrond hoort hij dat ze haar zuster belt. Hij zet een koptelefoontje op en pakt de printdummy met de krant. Hoewel de printdummy met de krant slechts half vol is, is het een dikke krant deze keer. Maar het nieuwskatern stelt niet zo veel voor; veel tekst zonder echte inhoud. De politiek is nog steeds stom bezig. Zo wakkeren die oenen de tegenstellingen tussen de diverse culturen alleen maar aan. Je kunt dit probleem niet op lossen door bejaarden naar een inburgeringscursus te sturen met als sanctie uitzetting. Gapend kopieert hij het politieke katern naar achteren. Dan bladert hij in ‘Kunst & Cultuur’; vindt ook daar nauwelijks iets van zijn gading. Bij een video glijdt weg in dromenland...

Vervolgens schrikt hij even later op door een luide vuurwerkdreun. Hij pakt de krant weer op en schuift voorste katern ofwel ‘Kunst & Cultuur’ door. Het mode katern ligt nu voor zijn neus; ergert zich aan de afbeeldingen van zomer mode op de bovenste helft van de eerste pagina. Als het zo moet kunnen de dames beter gewoon in hun nakie naar het strand gaan. Dit katern gaat dus ongelezen door naar achteren. Hij legt de krant weg en pakt een A5-dummy met een detective. Een ander zou hem een vakidioot vinden, maar zijn werk is zijn hobby.

Algauw zit hij weer helemaal in het verhaal: “Het bord vult zich met aanwijzingen in de vorm van foto's van verdachten. Maar ook kopieën van bandensporen. Hij zoekt naar een verband. ‘Kijk,’ een collega plakt een nieuw stuk tijdlijn aan de oude. Foto's verdwijnen weer omdat er sterke alibi's zijn,” wederom schrikt hij wakker. De dummy ligt op de vloer. Hij doet niet de moeite om de dummy op te pakken en geeft zich over aan zijn vermoeidheid, door zich languit op de bank te strekken. In de volgende droom geniet hij van een door Daniëlle gebakken appelflap. Zo is zijn bewustzijn terug in ‘Het Vrijheidskwartier’ binnen de gezelligheid van het huis van Fatima...

Diep onder de grond

Na de thee tikt de klok laatste de uren van het jaar af. Annie pakt een breiwerkje op, dus richt Sita haar aandacht weer de roman taboe. Ze leest verder op de volgende pagina met de titel ‘Onder de grond’ in de eerste alinea: “Het ochtendgloren zal spoedig aanvangen. In de verte is de hemel al niet zwart meer. Onze vrienden voelen hun voeten. Ze zullen dekking moeten zoeken voor de dag.

Het kanongebulder in de verte neemt weer toe. De vijanden schijnen ieder lichtstraaltje te moeten benutten om elkaar te vernietigen.

Ze komen bij een splitsing in het bergpad. Een pad loopt omhoog in de richting van een bergpas; het andere loopt vrij stijl naar beneden.

Fanat geeft de anderen een teken. Ze gaan dicht bij elkaar achter een rotsen zitten.

‘Hier spitst het pad zich. We moeten kiezen of we de lange weg over de pas nemen, of de korte weg door de grotten en mijnen,’ zegt hij op gedempte toon.

Iedereen zwijgt; ze weten dat ze een moeilijke keuze moeten maken. De pas hierboven is berucht en wordt al eeuwen bezongen in heldendichten. Maar de mijnen  — kilometers volstrekte duisternis in een stelsel van duizenden gangen —  zijn al even berucht.

Ook de mijnen worden bezongen in heldendichten. Ze werden gebruikt in oude tijden  — de tijd voor de geschreven geschiedenis —  door het volk van Dunmot, dat bekend was om hun ongeëvenaarde wapensmeedkunst. Toen het volk van Dunmot ten onderging in de grote strijd, raakten de mijnen in onbruik. En sindsdien gelden ze als het meest verdoemde oord op de wereld. Volgens de heldendichten is er nadien nimmer iemand uit de mijnen van Dunmot ooit levend teruggekeerd. Volgens andere legenden zijn het de poorten van de hel en is met het volk van Dunmot, de kennis om terug te keren uit de hel, voorgoed verloren gegaan.

Fanat herneemt het woord met: ‘Over de pas hebben we geen schijn van kans. Er gaat maar één begaanbaar pad over de pas. Op de witte sneeuwvlakte daar boven kunnen we nauwelijks dekking vinden. Omdat het de enige route is zullen we veel troepen tegenkomen. Vooral verse troepen maken troepen maken veel gebruik van deze route.’ Stampende soldatenlaarzen beneden hen illustreren de woorden van Fanat. Hij brengt zijn wijsvinger voor zijn lippen. Ze duiken weer weg in de schaduwen achter de rotsen. Zeker een kwartier zitten ze doodstil weggedoken.

Zodra het weer veilig is gaat Fanat verder met: ‘In mijn jeugd heb ik hier vlakbij gewoond. Toen het slagveld naar hier verplaatste, moest onze familie hals over kop onze hoeve verlaten. Wij maakten veelvuldig gebruik van de route door de mijnen. Hoewel niet ongevaarlijk, want de mijnen worden bewoond door roversbenden en outcasts, zijn ze minder gevaarlijk als de legenden doen vermoeden. We zullen moeten stemmen over de te kiezen route. Ik wil jullie aanraden de mijnen te kiezen,’ en hij gaat verder met de vraag: ‘Wie wil er nog wat zeggen?’

‘Ondanks dat we elkaar nog maar zo kort kennen, zullen we als we als we dit avontuur willen overleven op elkaar moeten vertrouwen. De kennis van Fanat over de mijnen is onze enige kans om te overleven. Ik stel voor alle vooroordelen over de mijnen opzij te zetten en te vertrouwen op Fanat,’ beweert Porot met overtuiging.

‘Dit is een beslissing waar veel van afhangt. En hoewel de oude mythen een kern van waarheid bevatten, zijn er geen verslagen van de huidige toestand van de grotten. De hel hebben we zojuist ontvlucht,’ betoogt Ninak en hij voegt er de vragen aan toe: ‘Is er een diepere hel dan die van het slagveld? Waarom zouden we de hel nog vrezen?’ dan concludeert hij in volle overtuiging met: ‘Ik kies dus voor de keuze van Fanat waar ik mijn leven aan te danken heb.’

Zo kiezen de vrienden voor de weg naar de mijnen. Het smalle pad loopt stijl naar beneden. Soms bestaat het uit smalle pad loopt stijl naar beneden. Her-en-der bestaat het pad uit uitgehakte treden. Deze treden zijn glad en uitgesleten. Zo dalen ze langzaam af in een honderden meters diepe kloof. Beneden bruist in de diepte het water van een waterval.

De bergtoppen kleuren al oranje. Weldra zal de zon opkomen. Het zachte licht van het ochtendgloren wordt door onze vrienden verwelkomt, omdat de weg naar beneden moeizaam is te gaan in de duisternis; dus hoewel het hun dekking vermindert, ervaren ze het licht als aangenaam.

Het ruizen van het water is nu oorverdovend. Aan de overkant van de kloof, stort het water naar beneden. Ze passeren een smalle, gladde, stenen brug die hen over de waterval leidt.

Hier reageert de natuur weer. Even krijgen onze vrienden het idee, dat het slagveld slechts een droom was. Er hangt een zachtzoete geur van ontluikende bloemen. Ieder spleetje in de rotsen aan de overzijde, is bezet door hangplanten met grote paarse bloemen. De kleine hoekjes tussen de stenen van het pad zijn, overdekt met een geel bloemetjestapijt. Fijne waterdruppeltjes uit de waterval spetteren overal rond.

Ze waden door het ondiepe water van een snelstromende rivier de grot in. Na een dertigtal meters is er een smal pad langs de rivier. Fanat ontsteekt een kleine fakkel uit zijn noodvoorraad. Ze lopen dicht bij elkaar, want de fakkel geeft maar weinig licht. Langzaam wordt de grot breder en hoger. Aan de rechterkant ruist dus een brede ondergrondse rivier; verder is het doodstil. Het fakkellicht is te zwak om de overkant van de rivier te kunnen zien. De stenen zuilen meestal aan hun linker zijde zijn van een grillige, betoverende schoonheid.

De moeheid neemt bezit van hun voeten en benen. Het smalle pad langs de rivier kronkelt zich rond de stalactieten steeds dieper de aarde in. Er lijkt geen einde aan te komen. Ze strompelen verder. Het pad loopt nu hoog langs de rivier zodat het geruis in de verte klinkt. Het wordt over de tijd stiller. De stilte wordt slechts onderbroken door de waterdruppels die van de stalagmieten vallen en hun eigen voetstappen. Zo-nu-en-dan stoppen ze even om te rusten en te luisteren of ze ook gevolgd worden.

Fanat geeft weer een teken. Ze stoppen en houden zich doodstil. Hij knielt en legt zijn oor tegen de rotswand. Als hij opstaat staat zijn gezicht somber. Snel leidt hij ons gezelschap een zijgang in en dan een trap omhoog naar een smalle mijngang met goudaders. Dan dooft hij zijn fakkel. Er is slechts een zwak groen licht van bacteriën die op de wand leven. Onze vrienden zitten ineengedoken in de lage gang en luisteren. Even zitten geeft rust aan de doodvermoeide voeten...” Sita legt Taboe weg, want het is bijna tijd om naar Fatima te vertekken.

Wordt vervolgt met: 27a. De zoete instuif.