Vrijheidskwartier - roman...

26b. Het heilige der heiligen

Oliebollen en appelflappen

Ondertussen is de sfeer is omgeslagen. De mens achter de politieman komt nu naar voren. De massa zit aan de maaltijd, dus wordt het echt stil buiten. Op tafel dansen de kaarsvlammetjes als bevestiging van de herstelde sfeer. Omdat de kaarsen bijna op zijn, projecteren de facetten van de glazen standaards een lichtspel op het tafelkleed. De klok op de schoorsteenmantel tikt de tijd weg in opmars naar het nieuwe jaar. Slechts een enkel rotje in de verte of een lepel die klingelt in een soepkom verstoort dit eentonige ritme.

Fatima kan genieten van zo'n moment van zwijgen, maar het moet gewoonlijk niet te lang duren. Toch is er wat verandert. Ze is onzeker over alles dat ze nu bij de ander aanvoelt. Zeker zal ze met haar nieuwe gaven moeten om leren omgaan. Ze kijkt Arnold terloops aan; houdt dan de concentratie vast en daarmee gaat een boek open. Voorhaar ligt een zee van pijn met slechts eilandjes van geluk. Dan doorbreekt Fatima de stilte met: ‘Arnold schrok je erg, toen ik geheel naakt in de deuropening stond?’

“Ja zeker; we waren in een aantal benedenwoningen geweest en ik besefte niet dat deze bovenwoningen een onderdeel van ‘Het Vrijheidskwartier’ zijn. Overigens mijn partner Hans, had het er veel moeilijker mee,” antwoordt Arnold met zijn zware stem.

Sandra reageert met: “Dus voorheen was je nog nooit in ‘Het Vrijheidskwartier’ geweest?”

“Ja, ik wil niet discrimineren maar de problemen consenteren zich toch echt in ‘Klein-Mekka’. Ik denk dat in dit paradijsje van jullie, voor mij ook in de toekomt geen droog brood valt te halen,” zegt Arnold.

‘En ... hoe zit het dan met het notenbrood,’ merkt Sandra op.

‘Oh ja, om mijn vrouw te plezieren moet ik toch maar zo-nu-en-dan zo'n broodje halen,’ pakt Arnold lachend op. De woordspeling is hem niet ontgaan.

‘Hoe zit het met het onderzoek,’ vraagt Sandra nu ze voelt dat de sfeer goed is.

“Vooropgesteld dat ik niet alles kan vertellen: Nu jullie Dunya Lazrak ofwel Daniëlle nog leeft, weet ik niet welk meisje er bij ons in de diepvries ligt. Als politieman zit ik dus ‘in zak en as’. Er is helaas kostbare tijd verprutst met een foutief spoor. Je kunt mijn bezoek ook beschouwen als een eerste stap. Hoe voelt Daniëlle zich, nu ze weet dat er waarschijnlijk een ander in haar plaats is overleden?” vraagt Arnold.

Het voorhoofd van Fatima vormt een diepe verticale rimpel als ze inbreekt met: ‘De naam Daniëlle gaat toch niet het hele bureau rond?’

“Nee Fatima, maak je maar geen zorgen. De enige plaats bij de politie waar die naam rond gaat, zit in mijn hoofd. Op het bureau kennen ze alleen de dossiernaam Dunya Lazrak. Ik moet je trouwens feliciteren, dat je zelfs onder de druk van ‘de Dienst’ niets hebt weggegeven. Je kunt met zo'n zaak rond ‘familie-eer’ niet voorzichtig genoeg zijn met dergelijke gegevens,” geeft Arnold aan.

‘Daniëlle heeft er moeite mee; ze voel zich schuldig en zit in een geloofscrisis. Dus huilt ze veel, maar aan de andere kant wordt ze goed opgevangen,’ zegt Sandra.

Zo praten ze verder. Ondertussen is de soep op. Fatima vertelt nog eens in alle details haar verhaal rond de eerste ontmoeting met Daniëlle. Soms vult Sandra iets aan. In de verte neem het geknal weer toe. Zo blijven ze er bewust van dat dit de laatste avond van het jaar is. Soms stelt Arnold specifieke vragen dan weer stoppen ze even omdat details te pijnlijk zijn of het vuurwerklawaai te heftig is...

De belangrijkste vragen zijn gesteld. Fatima en Sandra praten nog even na met inspecteur Nieuwland ofwel Arnold. Arnold was al eerder van plan op te stappen. Hij wil ‘oud en nieuw’ thuis vieren, maar telkens was er een reden om nog even te blijven plakken. Zo kwam Dick langs om te zien hoe het met Fatima gaat.

Weer gaat het muziekje van de bel. Sandra doet open. Deze keer zijn het Daniëlle en Sita, die de huiskamer betreden. Na een omhelzing van Fatima, stalt Daniëlle de inhoud van een grote sporttas op de tafel uit en zegt: “Nu jij terug bent Fatima moeten we echt ‘oud en nieuw’ vieren.” Dan neemt ze de deksels weg. Op de tafel staat een reuze pan met oliebollen, een iets kleinere pan met appelflappen en twee flessen met alcoholvrij, mousserend druivensap.

‘Wat geweldig! Daniëlle heb je die zelf gebakken?’ vraagt Fatima.

‘Nee ik heb alleen maar geholpen. De kennis en kunde zit bij Annie. Het is een generaties-oud, geheim familierecept.’

‘Zo in je blootje?’ vraagt Arnold.

‘Nee ik ben daar gek! Ik wil geen brandwonden van spetters hete olie. Dan maar even zweten,’ antwoordt Daniëlle verbaasd.

‘Hoe bevalt die blonde krullenbol,’ vraagt Arnold verder in een poging serieuze belangstelling te tonen. Zo als ze er nu uitziet, had het zijn dochter kunnen zijn.

‘Ik had liever mijn eigen haar gehouden, maar dit is veiliger. Dus moet ik maar aan mijn spiegelbeeld wennen,’ reageert Daniëlle nuchter.

Sita gaat gelijk weer naar huis. Arnold stelt nog meer vragen aan Daniëlle. Voor een echt interview is echter geen tijd, want ook Arnold verlangt naar zijn eigen thuis...

Volkomen uitzichtloos

Het nieuws is voorbij; op de films van mooi vuurwerk na was het niet veel soeps, maar wat verwacht een mens van oudjaarsavond. Sita schakelt het scherm uit, pakt Taboe en begint te lezen: “De vijf vrienden kruipen van bomkrater naar bomkrater. Ze zijn alles wat er is overgebleven van een hele divisie verse dienstplichtigen. Oorlog is waanzin daar is Mirak nu wel van overtuigt. Hij voelt zich belazerd; Belazerd door door iedereen. Zijn vader  — gepensioneerd beroepsmilitair —  moet toch geweten hebben hoe waanzinnig de oorlog in de praktijk is. Toch heeft zijn vader hem altijd voorgelogen met heldenverhalen. Nu haat hij zijn ouderlijk nest.

Ook de school, de tempel en het dorp waar hij vandaan komt hebben hem de waan van het oorlogsheldendom voorgehouden. Nu voelt hij zich hier in de modder volkomen verlaten. Dit nooit meer  — als ik hier ooit levend uitkom —  is nu zijn nieuwe devies. En daarmee heeft hij geloof, opvoeding en familie aan de kant gezet.

De kanonnen bulderen; achter iedere kraterwand kan de dood verborgen zitten. Hun uniformen zijn doordrenkt met modder. De lucht stinkt naar verbrand vlees. Het enige wat Mirak nog over heeft is zijn kameraden.

Porot is een schoolvriend waarmee hij in de zelfde lichting zat. Ze zijn samen in de zelfde unit terecht gekomen en echte vrienden geworden. Samen overleefden ze ook de slachting van de hele divisie.

Fanat ontmoetten ze die afschuwelijke nacht na de slachting. Hij had twee vijandelijke soldaten krijgsgevangen gemaakt, omdat hij het zinloze doden beu was.

De beide gevangen vijanden zaten geboeid met hun handen achter hun rug tegen de kraterwand, toen ze de krater waarin Fanat zich verborgen had ontdekten. Volgens de reglementen hadden ze Fanat en zijn beide gevangenen onmiddellijk moeten doden, want het maken van krijgsgevangen was van hogerhand verboden en moest standrechtelijk bestraft worden met de dood.

De doodsangst in de ogen van de twee gevangen staat Mirak nog helder voor de geest, maar Fanat leek voor de dood te hebben gekozen, op het moment dat hij met zachte stem zei: ‘Schiet me maar dood kameraden. Ik ben deze waanzin beu. Taboe zal me wel begrijpen. Doe het alsjeblieft snel en goed. Moge Taboe jullie zielen zegenen.’

Iets in hen deed hen toen voor het leven kiezen. En gevijven zworen zij de waanzin van de oorlog af. Zo begonnen zij als kameraden de moeizame tocht weg van deze waanzin...

Zijn ze ontdekt?

Angis staat hoog aan de hemel. Ze geeft maar weinig licht, want ze is de kleinste van de twee manen. Toch is dit de ideale verlichting om verder te trekken, want verbergen bij onraad in de schaduwen is simpel. Fanat tuurt in de verte. Het is maar goed, dat hij deze streek kent als zijn vestzak. Het is een moeizaam te betreden berggebied. Op het moment lijkt hun pad veilig. Hij wenkt de anderen, die dan voorzichtig naderbij sluipen. Achter iedere bocht van het smalle bergpad, kunnen patrouilles van één van de strijdende partijen verscholen zitten. In welke handen onze vrienden ook vallen het zou rampzalig zijn; het einde. Want tegen deserteurs wordt meedogenloos hard opgetreden. Fanat weet dat ze de dood door de kogel, dan als een milde straf mogen beschouwen. Aan de andere mogelijkheden denkt hij maar liever niet.

Fanat is in deze steek geboren en getogen. De oorlogsverwoestingen van dit magnifieke landschap doorklieven zijn gemoed met een ondraaglijke pijn. Een was dit een welvarende strek waarover verhaald werd tot in de uithoeken van de wereld. Nu is het landschap veranderd in een aaneenschakeling van dalen vol modderige bomkraters, zwartgeblakerde bossen en met lijken ontheiligde bergpaden. In de verte buldert nog steeds het slagwerk der kanonnen.

Plotseling is er geluid van stampende laarzen. Fanat geeft een teken. Ze kruipen hals over kop weg in de schaduwen achter een paar grote rotsblokken; de spanning stijgt. Fanat houdt zijn adem in. Hij voelt zijn hart bonzen.

De patrouille bestaat uit twaalf man. Ze dragen fakkels die flinke schaduwen. De soldaten lopen in een stevige pas voorbij, naar waar ons gezelschap vandaan kwam; geluk. De andere richting zou een probleem geven...,” Sita brengt de bladwijzer op zijn plaats en legt de pocket Taboe op tafel neer, want ze hoort de fluit van de ketel. Annie zal zo wel met thee binnenkomen. Dan rekt zich eens flink uit.

Ondertussen komt Annie met een pot thee binnen. Ze schenkt een paar mokken met thee in en zet die op tafel. Ook plaats ze twee schoteltjes met ieder en appelflap. Dan vraagt ze: ‘Hoe gaat het met Cirvel en Anga in de roman Taboe?’

‘Die zitten inmiddels in dat klooster, waar het naakte leven de gebruikelijke manier van doen is. Maar ik ben nu al bij een groepje deserteurs, die hun weg zoeken over de verschroeide aarde,’ antwoordt Sita.

Met:‘Aan de hand van jouw verhaal,’ gaat Annie verder met de vraag: ‘Is dat klooster niet een omkering van de cultuur?’

“Zeker, dat thema kon wel eens de kern van de roman vormen, maar waar dat naar toe gaat is nog onduidelijk. ‘Het klooster in Taboe’ lijkt een beetje op ‘Het Vrijheidskwartier’ hier,” zo antwoordt Sita en dan nipt ze aan haar thee.

Annie vraagt door met: ‘En die deserteurs?’

‘Tot nu toe is dat alleen een sfeerbeschrijving van het oorlogsgebied,’ vertelt Sita.

Zo gaat hun onderonsje verder over de gebeurtenis over de roman Taboe. Dan gaat het over naar de weetjes, die in ‘Het Vrijheidskwartier’ rondgaan. Ze zijn blij dat Fatima  — toch nog op het nippertje —  haar Oudejaarsavond thuis kan vieren. Dus hebben ze besloten om vlak voor twaalven Fatima even te bezoeken en dan door te gaan, naar de instuif van ‘Club Oase’. Zo tikt de klok gestaag de avond weg...

Wordt vervolgt met: 27. Stevig onder de plak?