Vrijheidskwartier - roman...

26a. Het heilige der heiligen

Een bijna-doodervaring

Sandra verlaat met bonzend hart de huiskamer om de buitendeur open te doen. Ze doet open en voelt bij een kier al de winterse kou op haar huid. Is dat Fatima? Nee, het is een droom; ik droom. Het is Fatima ze drukt de besneeuwde winter kloffie tegen haar lijf; een moment van verrukking. Ze is gelijk weer terug in het hier-en-nu. Bijna vergeet ze de deur weer te sluiten. Dan sluit ze de winterkou achter zich.

Als Fatima zich ontdoet van haar gevangeniskleding, schenkt Sandra in de huiskamer alvast hete thee in en legt een zitsluier op een stoel. Ze zit vol vragen, maar neemt zich voor Fatima eerst de ruimte te geven.

‘Zonder die hartmassage van jouw had ik het niet overleeft,’ zegt Fatima als ze op de sluier gaat zitten.

‘Hoe weet jij dat?’ vraagt Sandra.

‘Ik heb een bijna-doodervaring gehad. Aan het begin heb ik je zien ploeteren meid. Daarna heb ik me laten wegglijden in een tunnel vol engelen. Hoe is het met je pols?’ zo reageert Fatima met haar vertrouwde babbelstem.

‘Oh, die doet nog wat zeer met bewegen,’ zo wuift Sandra het probleem weg.

‘Geef die arm eens hier,’ zegt Fatima en ze streelt zachtjes over de pols van Sandra. ‘Probeer hem nu nog eens.’ Dan pakt ze haar phone en verstuurt ze een appje, dat ze weer thuis en oké is.

Sandra beweegt haar pols in alle richtingen. ‘Het is helemaal weg!’ zegt Sandra verbaast.

‘Van boven gekregen; ik zal je nog wel een paar keer moeten nabehandelen,’ beweert Fatima. ‘Maar hoe is het gegaan met die journalist?’

Sandra begint te vertellen en zo babbelen ze beide verder, want er valt heel veel te vertellen. Ondertussen merken ze niet eens, dat het al begint te schemeren. De pijn is vergeten en het geluk is gevangen in het moment van nu. Buiten wordt het ondertussen stiller, want de jeugd moet eten. Als een enkele vuurpijl plotseling de kamer verlicht, steekt Sandra de schemerlampen aan. Vervolgens gaat Sandra naar de keuken om het restje soep op te zetten. Als ze samen aan de soep met brood zitten, gaat de buitenbel. Het is inspector Arnold Nieuwland, die zijn excuses komt aanbieden. Fatima biedt hem een kom soep aan; gastvrijheid zit in haar genen. Ze neemt hem terloops in zich op. De man ziet er vermoeid uit. Zijn hangende wallen zijn daarvan het bewijs. Bovendien heeft hij honger, want hij laat zich de soep en het brood goed smaken. Ondertussen borrelen de vragen in haar op; haar bewustzijn is gelijk kokend water. Toch weet ze niet hoe ze moet beginnen.

Sandra haalt voor Fatima de kastanjes uit het vuur met: ‘Je zult wel begrijpen, dat je ons nogal wat uitleg verschuldigd bent! Om te beginnen, hoe wist je dat Fatima net terug is?’

‘Via een anoniem codetelefoontje. Zo gaat dat nu eenmaal tegenwoordig,’ zegt Arnold. Hij neemt een lepel soep alvorens verder te gaan met: “Het begon allemaal met ‘die nieuwe anti-terrorismewet’. Die wet maakt rustig reageren vrijwel onmogelijk. Zelf zie ik die wet niet zo zitten. Het ontbreekt aan voldoende waarborgen. Dus had ik willen aftasten zoals we, dat in een gewoon onderzoek doen. Verder lag er een rapport van de inlichtingendienst met een foto die als twee druppels water op Fatima leek. Daarin werden bovendien verbanden met die moord gelegd. Dan heb je mijn partner Hans Stegeman. Een broekje rechtstreeks van de recherche school. Hij gaat prat op die anti-terrorisme workshops in het buitenland. ‘De nieuwe aanpak’ noemt hij het. Natuurlijk heeft hij zijn kwaliteiten. Hij is een kei als het om automatisering gaat, maar van het gedegen recherchewerk heeft hij nog geen kaas gegeten. Dus toen mijn partner met die beschuldiging van terrorisme aankwam  — hij had dat volgens mij nooit mogen doen, want er lag geen degelijk bewijs —  kon ik alleen nog maar meegaan in een arrestatie, van Fatima en daarmee viel ze  — door die nieuwe wet —  gelijk onder de geheime dienst.”

‘Het begint mij te dagen en ik waardeer het in je Arnold, dat je dit in het hol van de leeuw komt vertellen,‘ zegt Sandra, vervolgens pakt ze een snee notenbrood.

‘Fatima, hoe is het met je gezondheid?’ vraagt Arnold bezorgt.

Fatima maakt haar mond leeg alvorens ze antwoordt met: ‘Het was mis met mijn hart. Ze noemen het een hartritmestoornis. Er schijnt niet al te veel schade te zijn. Verder moet ik zelf contact opnemen met een gewoon ziekenhuis. Ik denk dat de gedachte aan het martelen met mij aan de haal ging. Mijn familie heeft daar nogal onaangename ervaringen mee.’ Ze probeert de afstandelijkheid te bewaren maar de emotie ligt op de loer. Gelukkig vraagt een serie vuurpijlen aan de andere kant van het raam haar aandacht. In een ooghoek ziet ze hem klein worden.

‘Fatima, nogmaals mijn excuses,’ zegt Arnold met trillende stem.

‘Geaccepteerd Arnold,’ reageert Fatima onmiddellijk. ‘Ik hoop dat je je nu hier weer wat veilig voelt.’

‘Fatima, dat zit wel goed. Hoe moet een politieman zich hier onveilig voelen? Het is wel wat te warm voor mijn kloffie, maar het is goed dat jullie je idealen nog niet verloren zijn. Maar iets anders: hoe komen jullie aan dat fantastische notenbrood,’ vraagt Arnold.

Het dagboek van Cirvel

Sita kijkt op, ze was bijna ingedommeld. Ze kijkt ongeduldig op haar phone. De drukte rond de verhuizing heeft zijn tol geëist, maar dit is niet de avond om in te dutten. Ze pakt de tekst van Taboe weer op met: “Het is avond en het avondmaal is voorbij. Het was een intensieve dag. De schemering gaat langzaam over in de duisternis. Cirvel voelt haar voeten; ze gloeien. Het is een drukke dag geweest; vol nieuwe indrukken. Zo'n eerste dag op een nieuwe plaats is altijd heel vermoeiend. Ze zit weer achter het bureau in haar kamer over haar dagboek gebogen.

Cirvel kijkt naar Anga die in de richting van de berg Taboe neerknielt voor haar avondgebed. De zachtbruine billen van Anga glimmen in het lamplicht. Ze kijkt naar de zachtronde vormen van het meisjeslijf. Vrouwen van het zuidelijke ras zijn uitzonderlijk mooi, dat weet ze uit de oude literatuur. En nu ziet ze dat die gelijk heeft. Bij de tegenwoordige als een tent ingepakte vrouwen krijg je die schoonheid nooit te zien zodat zo'n oordeel niet door vergelijking geveld kan worden. Hier in dit klooster is dat gemakkelijker. Naaktheid is hier net zo gewoon als sluiers in de buitenwereld. De samenleving in dit klooster lijkt op haar geboortewereld, die ze alweer geheel ontwend was. Wat kan een paar jaar gesluierde maatschappij een mens veranderen?

Anga maakt eerbiedig de vaste serie voorgeschreven gebedshoudingen. Ondanks dat Cirvel deze houdingen wel kan dreunen blijft ze geboeid kijken. Zo naakt vormen de houdingen een sierlijk ballet dat zelfs iets erotisch overkomt. De schoonheid van dit gebed is nog nooit zo tot haar doorgedrongen.

Dagboek 04-06-4567

Het is al donker. Cirvel zit in een hoekje van de kamer onder een klein lampje gebogen over een in grijs leder gebonden dagboek. Ze kijkt even op naar Anga, die slaapt als een roos. Ze heeft het dekbed weggetrapt, want het is nog smoorheet in de kamer. Het is heerlijk om naar het slapende meisje te kijken; Cirvel glimlacht. Het kleine bureau, waaraan Cirvel tracht te schrijven wankelt een beetje. Ze verschuift het iets in de hoop op meer stabiliteit. Ze schrikt van het geluid, maar het schijnt Anga niet te deren. Verder is het doodstil in de kamer. Buiten in de verte klinken geluiden van voor haar onbekende dieren. In het klooster echter is het nagenoeg stil.

Cirvel buigt zich weer over haar dagboek. Door al dat reizen is er van schijven  — op een enkele korte aantekening na —   niets van gekomen. Nu weet ze niet hoe ze moet beginnen. Ze is met dit dagboek begonnen, met het idee  — zo haar ervaringen met onderzoeksresultaten over de volkeren, die op deze afgelegen planeet wonen vast te leggen —  zodat ze de informatie later in haar proefschrift kan verwerken. Al vroeg in haar studie kwam ze in aanraking met vergelijkende godsdienstwetenschap. Het was vooral de stimulerende wijze van college geven van professor Digmat, die haar dit vak heeft doen kiezen.

De kwantumzender is haar ontnomen, zodat de communicatie met de universiteit nu niet meer mogelijk is. Dus dat proefschrift zal er waarschijnlijk nooit komen. Wat eerst een goede dekmantel leek voor haar onderzoek, heeft haar nu verstrikt in de wrede gebruiken van een voor haar onbegrijpelijk geloof. Ze kan de gedachte: ‘Wat ik nu aan het doen ben is volkomen zinloos. Niemand zal deze aantekeningen ooit onder ogen krijgen,’ niet onderdrukken.

Cirvel verzet zich tegen de negatieve gedachten, die haar trachten te overmannen. Met bevende vingers zet ze de eerste letters op papier: ‘Dagboek: 04-06-4567; het primitieve reizen heeft mij niet instaat gesteld veel vast te leggen. Op de korte aantekeningen van de voorgaande dagen hoop ik later nog uitgebreid terug te komen. We zitten nu in het klooster van onze bestemming in een geriefelijke kamer. Niets doet hier denken aan het ascetische klooster, dat ik ken van mijn eigen planeet. Deze leefgemeenschap lijkt veel meer op een commune zoals wij die kennen.

Ik zit hier nog veel te kort om iets serieus te zeggen over de geloofsbeleving van de kloosterlingen. Toch doet mijn eerste indruk mij vermoeden, dat die nogal vrijzinnig is.

De ceremonie voor de overdracht hield het midden tussen een offerfeest en een ordinaire striptease. Het wond het publiek  — dat voor het merendeel uit mannen bestond —  duidelijk seksueel op. Het merendeel van de kloosterlingen was trouwens niet aanwezig. Alleen die monniken met een functie in de ceremonie heb ik gezien. Ik was zo geremd, dat ik Anga de de kastanjes uit het vuur liet halen. Het is wonderlijk hoe snel zij zich aanpast aan de nieuwe situatie. Het naaktzijn schijn haar nu al niet meer te deren. Ze lacht, danst en is aardig tegen iedereen. Vanavond stoeide ze in het water met de kinderen van de kloosterlingen, alsof ze hier geboren was. Het is net de omgekeerde wereld. De kinderen zwemmen hier naakt, terwijl daar elders de doodstraf op staat. Het lijkt hier net een paradijsje te midden van een gruwelijke wereld.

Zelf vertrouw ik het nog niet; de tegenstellingen zijn te groot. Het is net of ik constant in een droom zit. Ik vraag me ook af hoeveel van deze kloosters er zijn. De mensen hier zijn zo vreselijk aardig en meelevend. Ik kan dat gevoelsmatig nog niet accepteren. Mijn bewustzijn is veel-te-veel op zijn hoede. Ik moet mezelf de tijd geven. Dan komt het waarschijnlijk vanzelf wel.

De boekenkast in onze kamer staan naast een hele serie essays over theologie, geschiedenis en mythologie ook romans. Daar staan een paar bekende, maar ook veel mij onbekende auteurs bij. De Cirf-Satras staan hier in de grondtekst met een vertaling  — in het nieuwe schrift —  op de bladzijde er naast. Dit wordt ook aangevuld met commentaar. Het zijn zware leren banden, die de gehele onderste plank in beslag nemen. Voorlopig valt er dus heel wat te lezen en te bestuderen.

Ik vergeet bijna een angstig voorval tijdens onze reis van gisteren te beschrijven. Bijna hadden de soldaten Anga vermoord, omdat ze een deuntje neuriede, wat hier alleen aan mannen is voorbehouden. Als door een wonder is haar leven behouden. Ik hoop hier later nog eens op terug, maar ik ben nu te moe, om het uitgebreid te beschrijven. Wel heeft dit ook weer te maken met de genderaspecten van dit geloof, die ik nog niet kan echt kan doorgronden. Straf en offer zijn hierin heel sterk verweven, maar de samenhang is mij nog niet geheel duidelijk.

Meester Agdar onze leermeester lijkt me een heel wijs mens. Ik sta te popelen om hem echt te leren kennen.”

Annie haalt Sita uit haar concentratie doordat ze roept: Wij gaan naar Fatima oliebollen en appelflappen brengen.’

‘Annie, dat is goed; doe de groetjes roept Sita. Ze legt dan de roman Taboe weer even weg, want ze is nieuwsgierig naar het nieuws. Eerst kijkt ze weer op haar phone. Er is goed bericht dat haar vrolijk stemt. Ze activeert het scherm.

Wordt vervolgt met: 26b. Oliebollen en appelflappen?